Leven na de dood

geschreven is in het boek, zal ontkomen. ‘Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd’ (vs.2). Dan vindt een transformatie plaats van het lichaam: de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos’ (vs.3). Hier wordt de persoonlijke opstanding aan het eind der tijden benoemd. Het is een opstanding van zowel rechtvaardigen als goddelozen, waarbij de onderscheiden bestemming aangegeven wordt. De uitspraak wordt echter wel beperkt tot ‘uw volk’ en het is niet duidelijk of andere volken ook zullen opstaan. Met ‘velen’ kunnen overigens ook ‘allen’ bedoeld worden. Het verblijf in het rijk van de dood, waar de doden heengaan, is daarom tijdelijk, tot de tijd van de opstanding.

ier is aansluiting bij de zojuist genoemde passage uit Jes.26. Verderop in het boek J esaja is sprake van de Knecht van de Here. Soms lijkt hij gelijk gesteld te moeten worden met het volk, of met een deel ervan, maar in de hoofdstukken 52-53 is één persoon bedoeld. Hij komt door de vernedering heen tot verhoging. Zijn graf was eerst bij de goddelozen, maar daarna is er sprake van zijn herleven: hij zal ‘nakomelingen zien en een lang leven hebben’ en hij krijgt een deel onder ‘velen’. Door de opstanding en de daarna volgende bestemming verschaft God recht, een thema dat in veel oudtestamentische geschriften naar voren komt. Dat recht geschiedt lang niet altijd aan deze kant van het graf, maar hier blijkt dat het wel daarna komt. Het is mogelijk dat goddelozen tijdelijk triomferen over de rechtvaardigen (als in Dan.11), maar straks worden de rollen omgedraaid.

H

Studiebijbel

magazine

29

Leven na de dood

De betekenis van Sophia

Woordstudie

De betekenis van σοφία sophia
Het zelfstandig naamwoord (vrl.) sophia betekent ‘bekwaamheid, wijsheid’. Het woord is afgeleid van sophos ‘bekwaam, knap, wijs’ en heeft een breed scala van betekenissen, zoals vakkundigheid in een bepaald vakmanschap, wijsheid in zaken van het dagelijks leven of de hoogste vorm van geleerdheid of intelligentie. Voor zover het bekwaamheid of wijsheid van mensen betreft, gaat het in het NT om geleerdheid of om wijsheid in algemeen praktische zin, bijvoorbeeld de wijsheid van Salomo (Mat.12:42) of van de Egyptenaren (Hand.7:22), of in concrete zin om het doorzien van een raadsel (Op.13:18; 17:9). De Grieken zoeken ‘geleerdheid’ (1Kor.1:22) en hun ‘wijsheid van het woord’ (1Kor.1:17), d.w.z. de bekwaamheid in welsprekendheid, wordt verder getypeerd als ‘wijsheid van de wereld’ (1Kor.1:20) en als ‘menselijke wijsheid’ (1Kor.2:13). De wijsheid van een mens kan ook van God komen, bijvoorbeeld door Jezus worden gegeven (Luc.21:15; vgl. 2Pet.3:15), of ontvangen worden samen met de Geest (Hand.6:3,10) of de genade van God (Hand.7:10). Paulus spreekt ‘wijsheid’ bij hen die daarvoor rijp zijn (1Kor.2:6) en onderricht de mensen in alle ‘wijsheid’ (Kol.1:28; vgl. 3:16). Verder lezen we over de ‘wijsheid’ die van boven komt (Jak.3:17) en waarom men kan bidden (Jak.1:5). In dit verband vinden we ook de woordverbindingen ‘een woord van wijsheid’ - een van de gaven van de Geest (1Kor. 12:8, samen met ‘woord van kennis’) - ‘de Geest van wijsheid’ (Ef.1:17), ‘wijsheid en verstand’, waarin God ons Zijn genade heeft bewezen (Ef.1:8) en ‘wijsheid en inzicht’ die verband houden met het kennen van Gods wil (Kol.1:9). In het bijzonder wordt gesproken over de wijsheid die Jezus bezat toen hij op aarde was, als kind (Luc.2:40,52) en als volwassene (Mat.13:54 par). In volmaakte zin is er sprake van de wijsheid van God (1Kor.2:7), die Hem wordt toegezongen (Op.7:12; vgl. 5:12), veelkleurig is (Ef.3:10) en die blijkt in de schepping (1Kor.1:21a) en in Zijn heilshandelen (Rom.11:33). De opgestane Christus is de belichaming van de wijsheid Gods (1Cor.1:24), in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn (Kol.2:3). Een bijzonder gebruik is de personificatie van de Wijsheid. In navolging van Spreuken 1 (vs.20vv) en 8 wordt de wijsheid van God voorgesteld als een persoon, die wordt gerechtvaardigd door haar kinderen (Luc.7:35) of haar werken (Mat.11:19) en die profeten en apostelen uitzendt (Luc.11:49). Verwante woorden: gnōsis ‘(het) leren kennen, kennis’; epignōsis ‘herkenning, erkenning, kennis’; sunesis ‘verstand, begrip, inzicht’; phrēn ‘middenrif; hart, binnenste; verstand, inzicht’; phronēsis ‘(het) denken, verstandigheid, inzicht’.

30 2
Studiebijbel

magazine

De betekenis van Sophia

Scoor meer met een web winkel in uw magazines. Velen gingen u voor en publiceerden uitgaven online.

Studiebijbel Lees publicatie 27Home

You need flash player to view this online publication